De Hoge Raad heeft onlangs een préjudiciële vraag beantwoord over de vraag wanneer een consument nu precies incassokosten verschuldigd is en het antwoord van de Hoge Raad mag als zeer positief voor consumenten beschouwd worden.

Sinds juli 2012 is het namelijk voor rechters mogelijk om een zogenaamde prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te stellen. Een dergelijke vraag kan dan door een rechter in een concrete rechtszaak aan de Hoge Raad worden gesteld en betreft dan praktisch altijd de uitleg van een wetsartikel.

Recentelijk heeft een kantonrechter een préjudiciële vraag aan de Hoge Raad gesteld en wel de vraag op welk moment precies een consument incassokosten aan zijn of haar schuldeiser verschuldigd is. Bij de behandeling door de Hoge Raad van zo’n préjudiciële vraag kunnen ook derden hun mening over het betreffende onderwerp aan de Hoge Raad kenbaar maken. In dit geval was dat de Consumentenbond en de uitspraak van de Hoge Raad komt in hoge mate overeen met de suggesties van de Consumentenbond.

De Consumentenbond is erg tevreden met het feit dat de Hoge Raad duidelijk heeft gemaakt dat incassobureaus die incassokosten in rekening willen brengen aan consumenten dat niet zomaar kunnen doen.  Daarvoor moet dan wel eerst aan een aantal voorwaarden voldaan zijn. En die voorwaarden betreffen dan voornamelijk de laatste aanmaning of ingebrekestelling, ook wel de ‘veertiendagenbrief’ genoemd. Zo moet er in deze brief een betalingstermijn van minimaal 14 dagen aan de debiteur worden gegeven, die pas gaat lopen op de dag volgend op de dag van ontvangst van deze brief door de debiteur. Indien de veertiendagenbrief dit niet duidelijk of foutief vermeldt dan wel in het geheel niet vermeldt kan het incassobureau geen incassokosten aan de debiteur in rekening brengen.