Schulden saneren wordt nog makkelijker

Geplaatst door: Enzo van Bambost | 11 oktober 2021

 

Op initiatief van de Minister voor Rechtsbescherming is thans een wet in voorbereiding die strekt tot wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (WSNP).

Inhoud wijzigingen

Concreet gaat het om een verkorting van de in artikel 288 lid 1 sub b Fw vervatte vijfjaarstermijn naar een termijn van drie jaar en de toevoeging van een grond voor afwijking van de tienjaarstoets van artikel 288 lid 2 sub d Fw. Dat laatste overigens alleen “indien de afwijzing van het verzoek in de gegeven omstandigheden, waaronder de manier waarop de eerder ten aanzien van de schuldenaar toegepaste schuldsaneringsregeling is geëindigd, de wijze waarop de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten en de mate waarin dit aan de schuldenaar is toe te rekenen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard”.

Redenen

Artikel 288 lid 1 sub b Fw bepaalt op het moment van schrijven dat een schuldenaar in beginsel niet wordt toegelaten tot de WSNP indien hij in de vijf jaar voorafgaand aan zijn toelatingsverzoek niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het aangaan of onbetaald laten van zijn schulden. Bij die beoordeling worden  zowel gedragingen gelegen in de financiële als maatschappelijke sfeer in aanmerking genomen. Deze maatstaf zou echter als te knellend worden ervaren, omdat te veel schuldenaren daardoor met schulden blijven zitten. Hetzelfde geldt voor de eerdergenoemde tienjaarstermijn, die nu tot gevolg zou hebben dat sommige schuldenaren tussen wal en schip belanden.

Kanttekeningen

De voorgenomen wijzigingen maken deel uit van de brede schuldenaanpak van het regeerakkoord 2017-2021, die tot doel heeft om de hoeveelheid schulden terug te dringen. De koers die nu wordt gezet, leidt er echter vooral toe dat er groepen in aanmerking zullen komen voor kwijtschelding van hun schulden waarvan men voorheen nog van oordeel was dat zij dat, gegeven de omstandigheden, niet verdienden. Met andere woorden: de totale hoeveelheid schulden wordt op die manier wel teruggedrongen, maar niet door het probleem bij de oorzaak aan te pakken en met weinig oog voor rechtvaardigheidsoverwegingen en de gevolgen voor schuldeisers. Daarnaast merken wij dat het probleem dat de wetgever probeert te bestrijden, namelijk een kennelijke ongewenste ‘hardheid’ in de toelatingscriteria van de WSNP, in de praktijk reeds wordt ondervangen door de mogelijkheid van een zogenaamd dwangakkoord, zoals bedoeld in art. 287a Fw. Het gevolg van toewijzing van zo’n verzoek is immers dat weigerachtige schuldeisers wordt bevolen in te stemmen met een verzoek tot schuldregeling en het restant van hun vorderingen niet meer afdwingbaar is; per saldo vergelijkbaar met de WSNP dus. Het toetsingskader voor zo’n dwangakkoord is echter geheel anders – en veel breder – dan dat voor een verzoek tot toelating WSNP, zodat daar ook onder huidige recht voor schuldenaren voldoende mogelijkheden liggen. Gewaakt moet dan ook worden voor de onwenselijke situatie dat wetgeving steeds verder erin voorziet dat schulden, die in toenemende mate lijken te ontstaan, evenzosnel weer worden kwijtgescholden en daarmee op de samenleving worden afgewenteld.