Scherper toezicht rechtspersonen

Geplaatst door: Enzo van Bambost | 1 december 2021

 

Met ingang van 1 juli 2021 is de nieuwe Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen (WBTR) grotendeels in werking getreden. Deze wet heeft gevolgen voor alle rechtspersonen, maar beoogt vooral om aansprakelijkheidsregels met betrekking tot verenigingen, stichtingen, onderlinge waarborgmaatschappijen en coöperaties meer in lijn te brengen met het regime van BV’s en NV’s. Wanneer hierna wordt gesproken over verenigingen wordt daarmee de vereniging in brede zin bedoeld, zijnde ook de onderlinge waarborgmaatschappij en de coöperatie.

Maatregelen

Centraal in de WBTR staan de invoering van vijf maatregelen. Allereerst voorziet de wet in een wettelijke grondslag voor een monistisch bestuursmodel of een raad van commissarissen, al zal dit onderdeel van de wet pas op een later tijdstip in werking treden. Verder werd wettelijk vastgelegd dat bestuurders of commissarissen niet deelnemen aan de besluitvorming indien zij een tegenstrijdig belang hebben en dienen de statuten een regeling te bevatten met betrekking tot belet of ontstentenis van bestuurders. Tot slot zijn de toewijzingsgronden voor een verzoek tot ontslag van een bestuurder verruimd en de aansprakelijkheidsregels voor bestuurders van verenigingen en stichtingen uitgebreid.

Verruiming aansprakelijkheid vereniging en stichting

Vermoedelijk de belangrijkste, meer materiële, wijziging zal de verruiming van de bestuurdersaansprakelijkheid voor verenigingen en stichtingen zijn. Daarop is de toets die al gold bij NV’s en BV’s van overeenkomstige toepassing verklaard, zij het met een uitzondering. De grond voor bestuurdersaansprakelijkheid op basis van een tekortkoming in specifieke administratieve verplichtingen (art. 2:138 lid 2 en 139 BW) is buiten toepassing gelaten, tenzij er, kort gezegd, sprake is van een rechtspersoon die onderworpen is aan de vennootschapsbelasting of verplicht is een jaarrekening op te stellen. Ook bestuurders van verenigingen en stichtingen kunnen nu dus aansprakelijk gesteld worden indien het bestuur haar taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Overigens zijn zij dan slechts aansprakelijk jegens de boedel en niet jegens de benadeelde schuldeisers. Het zal dan ook de faillissementscurator zijn die moet besluiten of hij gronden aanwezig acht om namens de boedel een actie in te stellen. Desondanks is de positie van schuldeisers onder de nieuwe wetgeving in theorie verbeterd doordat de curator een extra instrument heeft om een eventueel boedeltekort aan te zuiveren. De praktijk moet uitwijzen of dit ook een verschil zal maken.