Kan een betalingsregeling straks verplicht opgelegd worden?

Geplaatst door: Enzo van Bambost | 9 augustus 2021

 

Onder vigeur van het huidige recht geldt als vertrekpunt dat een schuldeiser recht heeft op volledige voldoening van zijn vordering en betaling daarvan ineens. Zonder toestemming van de schuldeiser is de schuldenaar niet bevoegd om het verschuldigde in gedeelten te voldoen, zo bepaalt art. 6:29 BW. Aan dat beginsel dreigt nu echter afbreuk gedaan te worden. Minister Dekker is namelijk voornemens een wetsvoorstel aanhangig te maken dat rechters de mogelijkheid zou geven om een betalingsregeling op te leggen zonder goedvinden van de schuldeiser.

Aanleiding

In het regeerakkoord 2017-2021 was onder meer het streven neergelegd om een brede schuldenaanpak op te zetten. Dit voornemen is een uitvloeisel daarvan en tracht te voorkomen dat schuldenaren verder in de schulden belanden. Het wetsvoorstel wordt gemotiveerd door de stelling dat veel schuldeisers reeds bereid zijn om een betalingsregeling af te spreken, maar dat er toch ook een groep is die dit stelselmatig weigert. De vraag dringt zich echter op of de Minister zich wel voldoende rekenschap heeft gegeven van het feit dat met name onder schuldenaren ook veel betalingsonwil leeft en/of dat zij willens en wetens verplichtingen op zich nemen waaraan zij niet kunnen voldoen en zodoende schuldeisers duperen.

Waarborgen schuldeisers

In een brief aan de Tweede Kamer stelt Minister Dekker dat hij het wenselijk acht om in de gevallen waarin het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de schuldenaar gevergd kan worden dat hij zijn schuld ineens voldoet, de rechter de mogelijkheid krijgt tot het opleggen van een betalingsregeling. Onduidelijk is hoe een dergelijke formulering zich verhoudt tot de bekende in artikel 6:2 lid 2 BW neergelegde maatstaf dat een regel niet van toepassing is voor zover dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat is in de regel immers een zware toets en betekent dat toepassing beperkt blijft tot uitzonderingssituaties. Veel is dan ook nog onduidelijk en de toekomst zal moeten uitwijzen hoe het in te dienen wetsvoorstel er concreet uit zal zien of überhaupt wordt aangenomen. In elk geval zullen wij de ontwikkelingen nauwgezet volgen.